Een liedje dat alles heeft

‘Dit is een demo waar we gisteren aan gewerkt hebben,’ mailt onze producer Mario aan alle mensen die bij onze plaat betrokken zijn. ‘Het is een eerste draft waar wij zelf heel tevreden mee zijn. Voor de volgende keer hebben we afgesproken te gaan werken aan een nummer met een catchy riff en een catchy refrein dat heel breed gaat. Een liedje dat alles heeft.’

Dit zinnetje, over een liedje dat alles heeft, houdt me al een paar dagen uit mijn slaap. Het staat in een overduidelijk vrij haastig en argeloos getikte e-mail, maar toch laat het me niet los. We hebben inderdaad zoiets afgesproken, zij het niet in zulke sterke bewoordingen. We hebben een hele berg schitterende demo’s vol potentie, maar een liedje dat álles heeft zit er nochtans niet bij. Met een catchy riff en een geweldige tekst. Dat volkslied-achtige meezingbaarheid weet te combineren met muzikale geloofwaardigheid. Catchy als maar kan zonder dat het plat of simpel wordt. Eén zo’n lied kan het bereik van onze plaat enorm vergroten. Hele carrières zijn er gebouwd op één goed liedje. Denk aan Don’t Worry Be Happy of Ain’t No Sunshine When She’s Gone. Eén zo’n liedje en je kunt je permitteren de rest van je leven precies datgene te doen waar je zin in hebt.

Een liedje dat alles heeft dus. Een paar dagen voordat we weer de studio ingaan spreken we af om te proberen één van de liedjes die we al hebben zo te herschrijven dat het maximaal catchy is. Dat gaat moeizaam. Eigenlijk was het liedje al af. Was het complete lied tot nog toe in een half uurtje geschreven, met de aanpassingen zijn we ineens dagenlang bezig en dan nog zijn we niet tevreden. We maken een refrein met koortjes dat het nummer beduidend beter maakt. Ik durf zelfs te stellen: een van de betere nummers die we de afgelopen jaren hebben geschreven, maar op een of andere manier krijg ik het ‘liedje dat alles heeft’ maar niet uit mijn hoofd.

‘Ik denk dat dit het maar gewoon moet zijn,’ zeggen we tegen elkaar. Vaak vallen veel dingen pas in de studio op zijn plek. Daar hopen we dan maar op.

Op naar België. We vertrekken op maandagavond direct uit ons werk en komen tegen half elf ’s avonds aan op ons vaste logeeradres. We overnachten bij een vriend die vandaag niet thuis is, maar ons in zijn naïeve naastenliefde de sleutel van de achterdeur heeft gegeven. Een simpele heldendaad die het verschil maakt tussen een oncomfortabele nacht in een tweepersoonsbed in een goedkoop hotel en een gezellig verblijf in een vrijstaand huis. ‘Bier staat koud,’ sms’t hij ons.

Na een paar biertjes gooi ik iets op dat me de hele autorit al heeft beziggehouden: ik had nog een idee voor een nummer. Tot mijn verbazing blijkt Kevin hier ondanks zijn extreme moeheid nog voor te porren. Ik heb een vaag idee met breaks dat door zijn enthousiasme al snel concreet wordt. Dat is onze kracht en de basis van al ons succes: als wij bij elkaar gaan zitten om een liedje te schrijven dan lukt dat eigenlijk altijd. We maken een vliegende start en gaan voor een maximaal catchy liedje. In no time is er een couplet. Ook het refrein is zo klaar. Alleen die zanglijnen nog even tweestemmig maken. Morgenochtend moeten we weer vroeg de studio in, maar als de inspiratie toeslaat dan móét je wel doorgaan. Nu nog even een bruggetje toevoegen en we zijn klaar. In die euforie lijkt alles vanzelf te gaan. Vergeet al het andere, dít liedje gaan we morgen opnemen.

Om twee uur ’s nachts zijn we klaar en zingen we het nog een keer door; twee Hollanders die op een doordeweekse nacht in een Belgische keuken keihard een zojuist geschreven lied ten gehore brengen. Met een catchy riff en een catchy refrein dat heel breed gaat. Zou dit het liedje zijn waar we naar op zoek zijn? Morgen in de studio maar weer eens met een frisse blik naar kijken. Of misschien kan die producer dan zeggen of dit nou zo’n liedje is dat alles heeft.

Micha Sprenger