Schaven en schaven

En dan zit je ineens met z’n drieën bij elkaar in een klein studiootje in België. In woord ben je het met elkaar eens geworden over de richting waar je met je muziek heen wil gaan, maar eigenlijk garandeert dat natuurlijk niets. Woorden zijn makkelijk uitgesproken, maar dan: probeer het maar eens oneens te zijn met ‘het nieuwe album moet bluesy blijven maar tegelijk catchier dan ooit’ en je begrijpt wat ik bedoel. Niets zo moeilijk als muziek in woorden vatten. We hebben afgesproken dat we een dag met Mario als producer gaan werken om te kijken of het klikt. Als we het gevoel hebben dat de muziek er echt beter van wordt dan gaan we met elkaar in zee. Hij moet meer zijn dan een naam die goed staat op de albumcover, hij móét iets toevoegen. Het resultaat is heilig.

Dus daar zit je. Met je gitaar, je onzekerheid en een stapel half-affe liedjes. Omdat wij niet echt weten aan welk nummer we willen werken zetten we de eerste de beste demo op. Werktitel Ain’t That Something. Het is een redelijk straightforward nummer zoals we ze vaker hebben geschreven: een lekkere riff en een goede tekst, verder tamelijk traditioneel. Een echte blues, een prima blues. Uitstekend allemaal, alleen niet direct een nummer dat zich zou lenen voor onze ‘nieuwe sound’. ‘Toch maar niet doen, Mario,’ wuiven wij het weg.
Mario denkt daar echter anders over: het heeft een goede riff en een goede tekst en daarmee is het in de basis een goed nummer. Hij vraagt ons eens na te denken of we het couplet eventueel zouden kunnen houden maar er dan een knallend pop-refrein aan zouden kunnen toevoegen. Enigszins verlegen stel ik iets voor dat redelijk enthousiast wordt ontvangen, al is het het nog niet helemaal. Enthousiast geworden beginnen we te schaven.

We schaven en schaven, en dat duurt verrassend lang. Met zijn tweeën zijn we vaak snel klaar. Goed is goed. We hebben echter nu in Mario een ontregelende factor. Als wij denken goud in handen te hebben dan daagt hij ons uit om het toch nog eens over een totaal andere boeg te gooien: ‘het is fantastisch, maar…’

Toch nog eens proberen om dit iets meer ingetogen te doen. Dat eens met je kopstem te zingen. In de refreinen eens te tokkelen op die gitaar in plaats van dat hele ruige. Een gestoorde modulatie in de gitaarsolo. Een gekke brug waar het liedje volledig stilvalt. Alle opties worden gewogen en geprobeerd, de meeste worden onmiddellijk weer weggegooid. We komen in het soort flow waarin alle schuchterheid van ons afvalt. We zoeken en proberen, verzinnen dingen, vergeten ze weer snel en nemen een hele berg vage takes op waarvan ik hoop dat niemand ze ooit te horen krijgt. Het is nog helemaal niks maar er hangt iets in de lucht, we zijn iets op het spoor, we zullen niet rusten tot we eindelijk het gevoel hebben dat het klopt. Een idee voor een nummer verzinnen is peanuts, het helemaal uitwerken tot een compositie die van begin tot eind klopt is hard werken. De kunst is iets te maken dat klinkt alsof het op geen enkele andere wijze had gekund. Alsof het zo hoort. Voorbestemd is. Zoals de nummers van The Beatles – daar heb je ze weer – klinken alsof ze al eeuwenlang in steen gebeiteld staan. Schrijven is hard werken maar gelijktijdig is het het mooiste werk dat er bestaat. Als je in die flow zit van nummers schrijven dan vergeet je al het andere.

We schaven en we proberen tot we eindelijk iets hebben waar we tevreden over zijn. Als Kevin ten slotte een vlammende zanglijn inzingt en we elkaar tevreden aankijken ten teken dat het eindelijk wat begint te worden, realiseren we ons dat onze eerste werkdag samen er alweer opzit. Zonder dat we het door hebben gehad is het al half twaalf ’s avonds en morgenochtend vroeg moeten we – 250 kilometer verderop – weer fris en fruitig op ons werk verschijnen. Ik zal een week nodig hebben om bij te komen van dit avontuur, maar dat maakt niet uit. Alles voor de kunst. Het klinkt fantastisch. Totaal anders, maar nog steeds The Damned and Dirty. Nog steeds Micha en Kevin. Bluesy als altijd maar tegelijk catchier dan ooit.

Micha Sprenger